|
Thermoregulatie bij het paard |
||
|
Thermoregulatie is het vermogen van een organisme om de lichaamstemperatuur te handhaven. Zowel veel te lage (onderkoeling of hypothermie) als te hoge (oververhitting of hyperthermie)lichaamstemperaturen kunnen de vitale lichaamsfuncties aantasten en daardoor levensbedreigend zijn. Het lichaam streeft er naar een bepaalde temperatuur te hebben en te behouden, het zogenaamde setpoint. Dit gebeurt via het zenuwstelsel en wordt georkestreerd in het thermoregulatiecentrum dat zich bevindt in de hypothalamus, een onderdeel van de hersenen. Er zijn verschillende manieren om warmte af te staan of op te nemen : *conductie dit is het direct afgeven van warmte aan de omgeving door bijvoorbeeld iets warms of kouds aan te raken *convectie dit is het afgeven van warmte aan de omgevende koelere lucht *evaporatie is warmte afgifte door verdampen van water op de huid *warmtestraling dit is de afgifte of opname van warmte door een externe warmtebron te mijden of te gebruiken. In de huid gelegen thermoreceptoren en temperatuurgevoelige zenuwuiteinden informeren via het ruggenmerg de hersenene (hypothalamus) over warmte en koude, waarna de hypothalamus op verschillende manieren het lichaam kan bevelen tot warmteproductie of afkoeling over te gaan. Normale lichaamstemperatuur bij paarden Bij volwassen paarden is de normale lichaamstemperatuur tussen 37,5 en 38,5°C gemeten in de anus ook wel de rectale temperauur genaamd. Bij pasgeboren veulens is de normale lichaamstemperatuur iets meer variabel, namelijk tussen 37,2 en 38,9 °C. Pasgeboren veulens hebben het moeilijker hun lichaamstemperatuur op peil te houden omdat ze relatief gezien weinig onderhuids vet hebben en daardoor minder isolatie. Ook hebben ze een relatief groot lichaamsoppervlak in verhouding tot hun lichaamsgewicht en zijn de mechanismen waarmee ze hun temperatuur op peil houden nog niet rijp. Bovendien worden veulens in onze streken vaak geboren in een omgeving en periode van het jaar met temperaturen onder de kritische temperatuur en hebben ze kort na de geboorte een natte vacht waardoor ze veel warmte verliezen. Dit warmteverlies stimuleert warmteproductie. Als het veulen nog niet gedronken heeft is de warmteproductie afhankelijk van de energiebronnen in het lichaam van de pasgeborene en van bibberen. Bibberen bestaat uit spiercontracties waarbij relatief veel warmte vrijkomt. Deze spiercontracties vergen echter veel energie, die het veulen binnen moet krijgen door biest- en melkopname. Veulens moeten tevens behoorlijk actief zijn om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Bij ziekte of een algemene narcose werken deze mechanismen vaak onvoldoende met onderkoeling als gevolg, indien geen gepaste maatregelen getroffen worden. De lichaamstemperatuur kan bij gezonde paarden in de loop van een etmaal ongeveer 1 °C varieren waarbij de laagste temperaturen meestal 's ochtends en de hogere temperaturen meestal in de late namiddag of's avonds kunnen gemeten worden. Een goede gezondheid samen met voldoende en goede kwaliteit voeder, een goede stal en aangepaste training zijn belangrijke pijlers voor een goed functioneren van de thermoregulatie bij het paard, vooral indien in moeilijke weersomstandigheden topprestaties dienen geleverd te worden. Een 2 tot 3 maanden gerichte training voor het type werk dat het paard op de wedstrijd dient te doen zal de thermoregulatie capaciteit substantieel verbeteren en is absoluut vereist voor paarden die athletische prestaties dienen te leveren in warme, vochtige omstandigheden. Hoewel fysieke training in koele weersomstandigheden ook al deels het lichaam voorbereidt, is een 2 weken durende matige training in de moeilijkere weersomstandigheden noodzakelijk om de thermoregulatiemechanismen en de prestaties te optimaliseren. Ondanks deze extra trainingsmaatregelen blijft het absoluut noodzakelijk om paarden intensief te kontroleren tijdens training en wedstrijden bij erg warme weersomstandigheden. Dit is vooral erg belangrijk als het naast warm ook vochtig is, omdat het zweetmechanisme dan gelimiteerd kan worden met erge oververhitting tot gevolg. Omstandigheden waarbij een te hoge lichamstemperatuur optreedt komen zeer vaak voor en hoewel een infectie vaak een oorzaak is, zijn er nog veel andere factoren die de lichaamstemperatuur kunnen verhogen. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen hyperthermie, waarbij het temperatuur setpoint onveranderd is en echte koorts waarbij het setpoint verhoogd is. Hyperthermie De lichaamstemperatuur kan verhogen zonder dat het setpoint verhoogd is, wanneer het evenwicht tussen warmte productie en warmte afgifte verstoord is. Verhoogde warmte productie of absorptie van warmte zonder dat er genoeg warmte kan afgegeven worden kan een verhoogde temperatuur veroorzaken. Hyperthermie kan ontstaan tengevolge van zware inspanningen, een hitteslag of zonnesteek, anhydrose, maligne hyperthermie, problemen in het centraal zenuwstelsel en reacties op bepaalde toxines of medicijnen. Over het algemeen reageert het paard in deze omstandigheden niet op koorts remmende producten. Wanneer de lichaamstemperatuur te hoog is, zal er voor gezorgd worden dat er meer warmteverlies optreedt en zal er minder warmte geproduceerd worden. Stimulatie van de bloeddoorstroming in de huid is een erg effectieve manier om warmte over te brengen van het centrum van het lichaam naar de oppervlakte waar de warmte kan worden afgegeven. Bij veranderingen in lichaamstemperatuur en/of omgevingstemperatuur reguleert het sympatisch zenuwstelsel de graad van contractie van bloedvaten, en daardoor de hoeveelheid bloed die er doorheen vloeit. Bij hoge omgevingstemperaturen zullen paarden indien ze de mogelijkheid hebben de schaduw en wind opzoeken of als ze kunnen in water gaan waden. Oververhitte paarden kunnen met koud watersprays, douchen of alcoholbaden afgekoeld worden. Paarden die niet meer recht kunnen staan en oververhit zijn kunnen gebaat zijn met koud water lavementen in de endeldarm. Zowel zeer intense inspanningen als zeer langdurige inspanningen kunnen aanleiding geven tot oververhitting tengevolge van spieractiviteit. In deze omstandigheden zal de temperatuur normaliseren tijdens rust wanneer de systemen om warmte af te geven druk aan het werk blijven. Ook stuipen gepaard gaande met intens verhoogde spieractiviteit kunnen hyperthermie veroorzaken. Een hitteslag treedt op als de lichaamstemperatuur boven de 41,5 °C gaat en geeft dan aanleiding tot problemen in veel organen. Het risico is het grootst wanneer paarden onvoldoende getraind zijn voor de gevraagde arbeid, wanneer er zeer zware inspanningen gevraagd worden in warme, vochtige weersomstandigheden of wanneer er problemen zijn met de thermoregulatiemechanismen zoals bij erge graad uitdroging of anhydrose. Het is belangrijk paarden te trainen in de omstandigheden waarin ze dienen te presteren zodat de thermoregulatiesystemen in het lichaam zich optimaal kunnen aanpassen. Paarden die een hitteslag oplopen zijn suf, slap en gaan in shock waardoor velerlei organen hun functie niet meer kunnen uitoefenen zoals het hoort, hetgeen uiteindelijk tot de dood kan leiden. Bij hoge temperaturen probeert het paard warmte kwijt spelen door te zweten: dit gebeurt via de zweetklieren in de huid. Dit zweet zal bij verdamping warmte aan de het lichaam onttrekken en zo voor afkoeling zorgen. Zelfs wanneer een paard niet zweet gebeurt er continu waterverdamping ter hoogte van de huid en de longen waardoor er warmteverlies optreedt. Zweet bevat veel electrolieten zoals natrium, kalium, chloride en calcium. Bij langdurig of overmatig zweten kan de electrolietenbalans verstoord worden en kunnen paarden veel vocht verliezen waardoor een verminderde huidelasticiteit, verminderde prestaties en minder werklust kunnen optreden. De huideleasticiteit kan gekontroleerd worden door een huidplooi ter hoogte van de hals juist voor het schouderblad tussen duim en wijsvinger vast te nemen. Normaal moet bij het loslaten van die plooi de huid zich onmiddellijk normaliseren. Als de plooi enkele seconden aanwezig blijft spreekt men van uitdroging of deshydratatie. Door meting van de hoeveelheden electrolieten in een bloedstaal kan men exact berekenen wat de tekorten zijn en hoeveel van welke electrolieten aangevuld dienen te worden. In praktijkomstandigheden waar deze metingen vaak niet kunnen uitgevoerd worden, hoewel er tegenwoordig draagbare bloedonderzoekapparatuur op de markt is, kan de hydratatietoestand van en paard gecontrolereerd worden aan de hand van een aantal klinische symptomen: de huidelasticiteit, het uitzicht van de slijmvliezen en ogen: de slijmvliezen van mond en ogen zullen droog zijn en de ogen liggen dieper. Vaak neemt ook de beweeglijkheid van de darmen af. Deze paarden hebben vaak een hogere hartfrekwentie en de grote halsaders zetten minder goed op na afklemmen. Bij milde tekorten en als het paard nog wil drinken kan de aanvulling gebeuren via electrolietenoplossingen in drinkwater of onder de vorm van een pasta. Het is aangewezen paarden aan te leren electrolieten oplossingen te drinken thuis, voor ze blootgesteld worden aan inspanningen waar ze de electrolieten nodig hebben. Bij grotere tekorten, kunnen electrolieten en water via een sonde in de maag toegediend worden of indien er symptomen van shock zijn of problemen met het maagdarmstelsel kunnen deze tekorten rechtstreeks in de bloedbaan aangevuld worden via een infuus. Geef nooit te veel electrolieten omdat er dan soms levensbedreigende situaties kunnen ontstaan. Te veel kalium bijvoorbeeld kan een hartstilstand veroorzaken. Anhydrose wordt gekarakteriseerd door gedeeltelijk of totaal onvermogen te zweten en komt het meest voor in een warm, vochtig klimaat. Deze paarden kunnen niet meer goed presteren, ademen zeer snel en vertonen vaak een dof haarkleed. Maligne hyperthermie omvat een aantal erfelijke spierziekten met afwijkingen ter hoogte van het calcium metabolisme. Deze aandoening komt het meest voor bij varkens en mensen, doch wordt ook af en toe bij paarden gerapporteerd. Deze ziekte manifesteert zich als een hyperactieve toestand van de spieren en wordt meestal veroorzaakt door een bepaalde groep anesthetica, spierverslappers en zeer zelden door lokale verdovingsmiddelen of stress. De lichaamstemperatuur gaat pijlsnel omhoog, er treedt spierstijfheid op en een enorm hoge hartfrekwentie. Vervolgens treedt een algemene verzuring op, spierweefsel sterft af en de dood kan volgen. Indien de regio van de hypothalamus in de hersenen om wat voor reden dan ook aangetast wordt kunnen problemen optreden met de thermoregulatie: over het algemeen eerder oververhitting dan afkoeling. Bloedingen, tumoren, abcessen en andere ontstekingen of infecties alsook degeneratieve aandoeningen kunnen hierbij een rol spelen. Deze zogenaamde centrale hyperthermie wordt gekarakteriseerd door afwezigheid van zweten, geen reactie op koortsremmers, geen temperatuurschommeling in de loop van de dag en buitengewone reactie op extern koelen. Soms ontstaat hyperthermie na vergiftiging door bepaalde producten zoals pentachlorophenol, een houtbeschermer of door het toedienen van bepaalde medicijnen zoals erythromycine en waarschijnlijk ook andere antibiotica van dezelfde groep bij veulens. Hoge buitentemperatuur en veel zon kunnen deze situatie erger maken. Echte koorts Bij echte koorts is het setpoint voor de lichaamstemperatuur verhoogd en wordt die verhoogde temperatuur gereguleerd door dezelfde mechanismen die normaal voor het behoud van de lichaamstemperatuur instaan. Hoewel echte koorts vaak aanwezig is bij infectieziekten komt koorts ook vaak voor bij ontstekingen, tumorale aandoeningen en immuungemedieerde ziekten. In al deze situaties wordt de koortsreactie op gang gebracht door het vrijkomen van een groep stoffen, pyrogenen genoemd, die op verschillende manieren het centraal zenuwstelsel beinvloeden. Het paardenlichaam gaat reageren op deze koorts met de aanmaak van een heleboel verschillende stoffen om te proberen de koorts te controleren. Lokale reacties in de weefsels kunnen op hun beurt zenuwuiteinden stimuleren die aanleiding geven tot symptomen die vaak samen gaan met koorts zoals slaperigheid en geen eetlust. Koorts is dus een normale respons van het lichaam met positieve en negatieve neveneffecten. Met de uitzondering van sommige virale ziekten is bij de meeste infectieziekten de koorts niet hoog genoeg om het infectieus agens te overmeesteren, maar er bestaan wel studies waarbij bij een aantal bacteriële ziekten opgemerkt werd dat er een hoger overlevingspercentage was wanneer de patiënt hogere koorts had. Bij te hoge koorts nemen echter de negatieve effecten de overhand. Door het vasten en een verhoogde metabole toestand, treedt er spierverlies op en algemene zwakte vooral bij langdurige koortsperioden. Hoewel zelfs bij hoge koorts, stuipen zeer ongewoon zijn bij paarden, worden deze aanvallen soms gezien bij pasgeboren veulens met een lichaamstemperatuur boven de 42°C. Bij erg verzwakte dieren leidt langdurige koorts soms tot hartfalen. Om de oorzaak van koorts te weten te komen is het voor de dierenarts erg belangrijk een goede historiek over het paard te verkrijgen van de eigenaar. Infectieziekten zijn bij paarden de belangrijkste oorzaak van koorts en een goed klinisch onderzoek is noodzakelijk om te proberen een exacte diagnose te stellen. Soms is het nodig bijkomende onderzoeken uit te voeren zoals bloed-, faeces en/of urineonderzoek. Bij aandoeningen van de luchtwegen kunnen endoscopie, staalname van luchtwegslijm voor bacteriologisch en virologisch onderzoek, echografie, radiografie, broncho-alveolair lavage en scopie van de borstholte van pas komen. Bij buikproblemen kunnen echografie, buikpunktie, maagscopie, laparascopie, radiografie bij veulens of kleine paarden en een buikoperatie behulpzaam zijn om de diagnose te stellen. Soms zijn huidbiopten of beenmergpunkties noodzakelijk om bepaalde systeemziekten op te sporen. Hypothermie of onderkoeling Onderkoeling kan min of meer toevallig zijn of optreden tengevolge van een ziekte, een zogenaamde pathologisch onderkoeling. Toevallige onderkoeling kan optreden tijdens een narcose of blootstelling aan koude of koude en zeer vochtige weersomstandigheden. Vooral zieke veulens, bejaarde of erg verzwakte paarden kunnen gemakkelijk onderkoeld raken. Pathologische onderkoeling treedt op bij ziekten die het metabolisme vertragen zoals een verminderde schildklierwerking of ziekten die rechtstreeks inwerken op het thermoregulatiecentrum in de hersenen. Bij onderkoeling kunnen de hartfrekwentie vertragen, de bloedsomloop en nierfunctie verminderen. In een kudde buiten zullen paarden bij koude in groep bij elkaar gaan staan en bij hevige wind en stortregen zullen ze zich met de achterhand naar de windrichting plaatsen en beschutting zoeken indien mogelijk. Paarden kunnen bovendien met behulp van kleine spiertjes de vachtharen meer rechtop zetten zodat ze een dikkere, meer isolerende luchtlaag creëren rond het lichaam. Huiveren of bibberen wordt veroorzaakt door snel opeenvolgende spiercontracties. Dit veroorzaakt veel warmte, doch is slechts een korte termijnoplossing omdat het heel veel energie vergt waardoor de spieren dit niet lang kunnen volhouden. Beweging kan het metabolisme aanwakkeren en daarbij kan extra warmte geproduceerd worden. Afkoeling zal de productie van thyrotropine-releasing hormoon opdrijven waardoor de productie van schildklierhormonen en het cellulaire metabolisme verhoogd worden. Voldoende voedselopname is noodzakelijk om te helpen warmte te genereren. Dus zowel onderkoeling als oververhitting kunnen, wanneer ze in erge graad voorkomen levensbedreigend zijn voor onze paarden. Gelukkig beschikken gezonde dieren over een brede comfortzone, waarin ze zich comfortabel voelen, wat betreft de buitentemperaturen. Bovendien beschikken paarden ook over een heleboel aanpassingsmechanismen waarmee ze het hoofd kunnen bieden aan temperatuurschommelingen veroorzaakt door inspanning of door klimaatsomstandigheden. |
||
![]() |
![]() |
|