|
Diergeneeskundige keuring van het paard
De aankoop van een nieuw paard is vaak een weg met vele hindernissen. Het aanbod is groot en de zoektocht lang naar het vinden van het geschikte paard op gebied van type, exterieur, afstamming, sportaanleg, karakter en prijs. Eenmaal de ideale kandidaat gevonden vormt het diergeneeskundig onderzoek de laatste horde naar de nieuwe stal. In dit driedelig dossier bespreken we de diergeneeskundige keuring van het paard. In het eerste deel richten we ons op het klinisch onderzoek. Het tweede deel staat in het teken van het radiografisch onderzoek en in het laatste deel belichten we verder aanvullend onderzoek zoals bijvoorbeeld endoscopie en echografie en geven we meer concrete voorbeelden. |
||
|
DEEL 1 : HET KLINISCH ONDERZOEK
Het klinisch onderzoek is het belangrijkste en vormt de basis. Via aanvullend onderzoek zoals radiografie en endoscopie wordt een zo'n volledig mogelijk beeld geschept en wordt een soort van risicoanalyse gemaakt. Alle bevindingen van de dierenarts tijdens het keuringsonderzoek worden opgetekend in een keuringsrapport, waarna na interpretatie van alle gegevens een advies wordt geformuleerd. Het is uiteindelijk aan de koper om de knoop door te hakken. |
![]() |
|
|
GEBRUIKSDOEL
Het klinisch onderzoek begint met een controle van het signalement. Ofwel wordt het signalement opgetekend, ofwel gecontroleerd aan de hand van het stamboekbewijs. Tegenwoordig dienen te paarden te zijn gechipt en wordt bijkomend het chipnummer afgelezen en vermeld op het keuringsdocument. Het protocol van elk keuringsonderzoek is in principe gelijk, maar naargelang het gebruiksdoel wordt een verschillend gewicht gegeven aan de gevonden bevindingen. Keuringsadviezen zijn om die redenen niet zomaar herbruikbaar bij eventuele latere doorverkoop. De waardeparameters bij de aankoopkeuring van een recreatiepaard zullen verschillen van deze van een Grand-Prix paard. Een onderscheid dient eveneens gemaakt te worden tussen een keuring voor de fokkerij (keuring als dekhengst, G-label keuring BWP) en keuring als sportpaard. Beide keuringen overlappen op vele gebieden, maar zijn niet identiek. Elk stamboek in België heeft zijn eigen verantwoordelijke keuringsinstantie (vb. Faculteit diergeneeskunde van Merelbeke voor het BWP, de faculteit van Luik voor het SBS en Dr. Leo De Backer voor Zangersheide). Hun advies is bindend voor het betreffende stamboek. Bij de keuring als dekhengst ligt de nadruk op de detectie van eventueel overerfbare aandoeningen. Het radiografisch onderzoek met o.a. controle op OCD fragmenten is dus zeer belangrijk. Een gunstig/ongunstig advies als dekhengst betekent dus niet noodzakelijk een gunstig/ongunstig advies als sportpaard of omgekeerd. |
||
![]() |
INSPECTIE/PALPATIE
Na controle van het signalement wordt het paard grondig bekeken en volledig afgetast op stand. Elk lichaamsdeel van de neus tot aan de staart wordt geïnspecteerd. Enkel de afwijkingen of klinisch belangrijke malformaties worden vermeld. Normale anatomische variaties worden niet noodzakelijk vermeld op het rapport. Er wordt gezocht naar eventuele littekens, zwellingen, warmte, gevoeligheden en gebreken. Het gebit wordt gecontroleerd op over- of onderbeet. Uitzonderlijke afwijkingen aan het hoofd kunnen zijn een niet volledig ontwikkeld traankanaal thv de neus of een chronische fistel aan de oorbasis tengevolge een ectopische tand. |
|
|
De ogen moeten een mooi heldere cornea hebben en de pupil dient vlot te verkleinen onder invloed van licht. Het hart en de longen worden geausculteerd met een stethoscoop. Sommige bijgeruisen op het hart zijn fysiologisch en dienen onderscheiden te worden van de pathologische. Aanvullend onderzoek is hier soms noodzakelijk (zie deel III). Standafwijkingen van de ledematen worden genoteerd. Een erg vlaamse of franse stand hoeft niet noodzakelijk manken te geven, maar het belang op lange termijn wordt vermeld. Symmetrie bij beoordelen van afwijkende bevindingen is belangrijk. Een lichte opzetting van de sesamschede op beide achterbenen (galletjes) zijn minder belangrijk dan een opzetting van één enkele sesamschede. De voorvoeten zijn liefst symmetrisch in hoogte en vorm. Een milde asymmetrie wordt getolereerd, maar vraagt om alertheid. Een paard met een langdurige sluimerende pijn ontlast vaak subtiel het been. Bij langdurige ontlasting groeit de ene voet iets steiler en hoger uit dan de andere. We spreken van een onder- en overbelast patroon. Er dient opgemerkt te worden dat deze exterieurkeuring van het paard vanuit een diergeneeskundig standpunt gebeurt. Paarden met een matig exterieur kunnen perfect gezond zijn en aldus geen diergeneeskundige opmerkingen krijgen.
|
||
|
BEWEGINGSONDERZOEK Het paard wordt bekeken in stap en draf op de harde bodem op rechte lijn en op volte naar links en rechts. Daarnaast wordt het paard gelongeerd op zachte bodem in draf en galop. In geen enkele van de omstandigheden mag het paard mank zijn. Eens een enkelvoudige onregelmatige pas tussen correcte passen is niet erg. Indien men echter een subtiel manken elke pas opnieuw opmerkt is voorzichtigheid geboden en is het advies vaak negatief. Bij het galopperen op zachte bodem mogen geen abnormale ademhalingsgeluiden worden opgemerkt. Verder wordt het paard neurologisch gecontroleerd op ataxie. Bij het rond de as draaien, dient het paard dit gecoördineerd te doen en mogen de achterbenen niet te sterk uitzwaaien. Bij tractie aan de staart dient het paard snel en krachtig te corrigeren. De bedoeling van de buigproeven is het onder spanning brengen van bepaalde structuren om alzo een eventueel subtiel onderliggend probleem te onderkennen. Een standaard voor het uitvoeren van de buigproef van de kogel-voet is gedurende 1 minuut het been plooien onder een spanning van +/- 10 kg. Daarna wordt meteen weggedraafd. Gezonde paarden draven meteen goed weg. Een buigproef is positief indien manken kan worden uitgelokt bij het wegdraven. Een positieve buigproef is dus negatief voor het paard en de eventuele koper. Symmetrie is opnieuw belangrijk. Licht positieve buigproeven van de kogel-voet van beide voorbenen is minder belangrijk dan een uitgesproken positieve buigproef op één been. Ook wordt er gelet op de reactie van het paard bij het aanspannen van het betreffende gewricht. Een pijnlijke passieve flexie wijst op onderliggende problemen zoals bijvoorbeeld gewrichtsverstijving door kapselfibrose, ligamentschade,
|
|
|
|
CONCLUSIE KLINISCH ONDERZOEK |
![]() |
|
|
Alle bevindingen tijdens het klinisch onderzoek worden bij elkaar gelegd en vormen de basis van het geformuleerde advies. Zo krijgen manke paarden een ongunstig advies bij aankoop, zelfs indien de radiografieën normaal zijn. Te vaak wordt nog gedacht dat een paard goed is, indien het radiografisch onderzoek goed is. Een paard is veel meer dan enkel skelet en een radiografie brengt maar een fractie van alle mogelijke oorzaken van kreupelheden in beeld. Niettegenstaande hoeft een ongunstig klinisch advies niet eeuwig te zijn. Een paard kan perfect alsnog een gunstig advies krijgen indien hij bij herkeuring na 4 tot 6 weken wel correct draaft en bloedonderzoek geen verboden stoffen aantoont. Niet alle manken is chronisch en onomkeerbaar. Denk maar aan een blein of zoolkneuzing. Een klinisch onderzoek wordt meestal gevolgd door aanvullende onderzoeken zoals radiografie en endoscopie. Sommige abnormale bevindingen tijdens het klinisch onderzoek hebben evenzeer nood aan verder onderzoek. |
||
|
DEEL II:RADIOGRAFISCHE KEURING Röntgenfoto's vormen een aanvulling aan het klinisch onderzoek en brengen eventuele verborgen gebreken aan het licht, daar waar onze ogen en handen tekort schieten. De meerwaarde van radiografie tijdens een keuring is enorm, maar we moeten ons net zozeer bewust zijn van de beperkingen. Radiografie brengt enkel de botstructuren in beeld en bepaalde aandoeningen moeten al vrij uitgebreid zijn alvorens ze radiografisch worden opgemerkt. Via radiografie wordt gepoogd een blik in de toekomst te werpen omdat we weten hoe sommige afwijkingen evolueren. |
![]() |
|
|
De (dier-)geneeskunde is echter niet zwart-wit, maar bestaat uit verschillende grijswaarden. Wetenschappelijke studies worden uitgevoerd op grote populaties paarden en bij een keuring wordt een uitspraak gedaan over één enkel paard. De balans voor dat ene paard kan dus in principe twee kanten omslaan. Valt hij in de goede groep of in de slechte groep. Soms een dubbeltje op zijn kant, zeker bij slechts milde radiografische afwijkingen.
PROTOCOL Digitaal of analoog? Net zoals in de gewone fotografie heeft ook in de medische beeldvorming het digitale tijdperk zijn intrede gedaan. En net zoals bij elke vernieuwde techniek werd deze initieel vrij sceptisch en met enige achterdocht ontvangen. Doorgewinterde dierenartsen (net zoals fotografen in de fotografie) met een opmerkelijke ervaring in de analoge radiografie blijven vaak nog heilig geloven in de superieure kwaliteit van analoge beelden. De techniek en voornamelijk de toestellen zijn intussen dermate geëvolueerd dat men rustig mag stellen dat de digitale revolutie het pleit heeft gewonnen. Digitale radiografie is kwalitatief beter dan analoge radiografie. Bovendien is de gebruiksvriendelijkheid een niet te onderschatten troef. De beelden kunnen enkele minuten na het nemen worden afgelezen op een computerscherm. Dit laat toe meteen ter plaatse een foto opnieuw te nemen indien deze qua belichting of positie slecht is.
Vroeger diende de film eerst te worden ontwikkeld thuis en diende men terug te rijden om eventuele bijkomende opnamen te maken. Het oordeel werd aldus vaak gebaseerd op een sub-optimale opname. Software laat eveneens toe na het nemen van een digitale RX alsnog verbeteringen aan de kwaliteit aan te brengen. Echter volgende opmerking. Of het nu digitaal of analoog betreft, de basisvereiste voor hoge kwaliteit is de kunde van de persoon die het toestel bedient. Standaardprojecties van de verschillende gewrichten zijn gekend en deze dienen perfect uitgevoerd te worden. Zoniet kunnen afwijkingen gemist worden. Kwalitatief hoogstaande foto's zijn dus een absolute must. Maar dit is nog maar het begin. Eenmaal die technisch perfecte radiografie voor ogen, begint het lezen ervan en de interpretatie. En daar is het waar alles om draait. Een deskundige interpretatie van wat een radiografie ons vertelt. |
||
|
VOORVOETEN
Een zeer belangrijke zone thv de voorvoeten is uiteraard het straalbeen of hoefkatrolbeentje in de volksmond. Het straalbeen is echter een structuur waar men een enorme radiografische variatie in ziet. De grens tussen wat nog fysiologisch is en wat reeds pathologisch is, is zeer vaag. Kortom er zijn paarden die niet mank zijn met radiografisch matige straalbeenderen en anderzijds zie je bij manke paarden (gelokaliseerd in de voet) radiografisch perfecte straalbeenderen. Een deel wordt verklaard door de lage gevoeligheid van radiografie om afwijkingen thv het straalbeen aan te tonen. Bovendien toont een RX enkel het bot en niet de omgevende weke delen zoals buigpees en bursa. NMR onderzoek is daar veel gevoeliger, maar dit wordt volgende maand besproken. Een radiografisch gezond straalbeen heeft een mooie scherpe aflijning tussen de compacta (buitenrand) en de mergholte en mag enkele ondiepe voedingskanaaltjes vertonen aan de onderrand. Grote fragmenten aan de onderrand van het straalbeen zijn liever te mijden. Op lange termijn geven ze in een overgrote meerderheid van de paarden (factor 10 verschil, dus 10 maal meer kans) problemen en ze zijn chirurgisch niet te verwijderen. OCD - OSTEOCHONDROSIS DISSECANS OCD of osteochondrosis dissecans presenteert zich als aandoening onder verschillende vormen. In principe gaat het over een ontwikkelingsstoornis waar kraakbeen zich onvoldoende verbeent in de nabijheid van gewrichten. Het meest gekend zijn de fragmenten of chips in de sprong en de knie. Subchondrale beencysten kunnen echter ook een teken van OCD zijn. Niettegenstaande onomstotelijk wetenschappelijk bewijs tot op heden ontbreekt, kan OCD als een erfelijke aandoening worden beschouwd. Paarden die gekeurd worden voor de dekdienst zullen dus een negatief advies krijgen. Bij een keuring als sportpaard dient een evaluatie gemaakt te worden. |
|
|
|
Afhankelijk van de grootte, lokalisatie en het aantal van de fragmenten wordt een advies geformuleerd, tevens rekening houdend met het gebruiksdoel van het paard. Als algemeen devies kan gelden dat we fragmenten liever kwijt dan rijk zijn. De voorbeelden van paarden die op lange termijn (na verloop van jaren sport) kraakbeenletsels ontwikkelen met als gevolg artrose en manken zijn zeer talrijk. Eenmaal artrose zich ontwikkelt, is men te laat en brengen enkel symptomatische infiltraties soelaas. Wij raden aan de fragmenten preventief te verwijderen. Soms komt een fragment eens los en begint vrij te zweven in het gewricht. Opnieuw met kraakbeenschade tot gevolg. Vrijzwevende fragmenten moeten zeker verwijderd worden.
Subchondrale beencysten zijn als het ware holtes in de nabijheid van gewrichten en kunnen gelijk waar in het lichaam voorkomen. Indien er zich een intacte beenplaat bevindt tussen de cyste en het gewricht kunnen deze perfect symptoomloos verlopen en aldus een gunstig advies krijgen. Of die beenplaat wel intact is, is echter niet altijd met zekerheid op een RX foto te zien. NMR kan opnieuw raad brengen. KOGELS In de kogels komen eveneens vaak fragmenten voor. Hun oorsprong is niet meteen exact dezelfde als in de sprong en de knie en in strikte zin is de term OCD misplaatst. |
||
![]() |
![]() |
Men spreekt beter over osteochondrale fragmenten. Drie lokalisaties komen voor: aan de voorzijde van de pijp (plica synovialis), aan de voorzijde van het kootbeen en aan de achterzijde van het kootbeen. Als algemene richtlijn kan gelden dat de fragmenten die aan de voorzijde van het gewricht zitten (voorbeen en achterbeen) best worden verwijderd, daar waar deze aan de achterzijde van het kootbeen zelden of nooit artrose veroorzaken. Indien ze toch last bezorgen (vb. overdreven gewrichts- opzetting) kunnen ze ten allen tijde verwijderd worden.
|
|
CONCLUSIE VAN HET RADIOGRAFISCH ONDERZOEK
De radiografieën dienen in het licht van het totale paard geïnterpreteerd te worden. Zowel het gebruiksdoel, de leeftijd, eventuele sportcarrière en de bevindingen tijdens het klinisch onderzoek zijn van belang. Men keurt uiteindelijk een paard en niet alleen een foto. Te vaak wordt ook nog gedacht: de RX foto's zijn goed, dus het paard is gezond. Fout. Het radiografisch onderzoek geeft veel informatie, maar lang niet alles. Letsels thv de weke delen (pezen, ligamenten, gewrichtskapsel,
) die onzichtbaar zijn op radiografie, kunnen evengoed een paard chronisch kreupel en onbruikbaar maken voor het beoogde doel. DEEL III: AANVULLEND ONDERZOEK We hebben eerder gezien dat het klinisch onderzoek aangevuld met een radiografisch onderzoek de basis vormt voor ons keuringsonderzoek. Beiden worden bijna standaard uitgevoerd. Toch gebeurt het soms dat we tijdens het klinisch onderzoek bepaalde afwijkingen opmerken die verder onderzoek vereisen. De huidige onderzoekstechnieken laten toe een objectieve inventarisatie van de toestand van het paard te maken. Naast het emotioneel belang neemt tegenwoordig ook het financieel belang toe. Paarden worden duurder tot heel duur en de professionaliteit stijgt. De vraag naar uitgebreider onderzoek wordt dus door de markt opgedrongen en de nieuwe technieken laten toe concretere antwoorden te formuleren. |
||
|
ENDOSCOPIE
Endoscopie is een veel gevraagd onderzoek. Bij jonge paarden en dekhengsten wordt het standaard uitgevoerd. Via een camera op een flexibele sonde wordt een beeld verkregen van de keel en vooral van de larynx (en stembanden). Paarden met cornage (zie voorbeeld hiernaast) hebben een asymmetrische larynx die veroorzaakt wordt door een verlamming van één kant (één van de 2 arytenoïden). Die verlamming bevindt zich meestal links, waarvan een erfelijke aanleg is bekend. Dekhengsten krijgen dus (vanaf een bepaalde graad) een negatief dekadvies. De ergheid van de verlamming wordt ingedeeld in verschillende graden. Tot de leeftijd van 6 jaar is er een zekere evolutie en dus verslechtering mogelijk. Een paard met een graad 2 op 3 jaar kan dus een graad 4 of volledige verlamming van het arytenoïd hebben op 6 jaar. |
|
|
|
Gezien die mogelijke evolutie is voorzichtigheid geboden bij uitspraken over een milde graad cornage bij jonge paarden. Een zeldzame keer zien we rechts verlamming die meestal posttraumatisch van oorzaak is. De zenuw die de larynx innerveert, bevindt zich in de nabijheid van de grote bloedvaten in de hals. Indien een irriterend product eens verkeerdelijk wat naast de vene wordt geïnjecteerd met een lokale forse ontsteking tot gevolg, kan de nabijgelegen zenuw verlamd geraken, waardoor eveneens cornage ontstaat. Paarden met cornage in een erge graad maken een typisch geluid bij inademen onder toenemende belasting. Door de verminderde lucht en aldus zuurstof kan het paard conditie missen en een verminderd recuperatievermogen hebben. Tegenwoordig kan dat gelukkig verholpen worden en de laserchirurgie is hierbij een grote vooruitgang.
Tijdens een endoscopie wordt eveneens eens in de luchtpijp gekeken. Indien zich daar overvloedig veel slijm bevindt of er bloedsporen te zien zijn, kan er een slijmstaal worden genomen. Aan de hand van labo onderzoek wordt uitgemaakt of een paard 'dempig' is of niet of mogelijks aan longbloeden lijdt. |
||
|
ECHOGRAFIE - ECHOCARDIOGRAFIE
Echografie is een onderzoek dat zelden wordt uitgevoerd in het kader van een keuring. Niettegenstaande is de bekomen informatie mogelijks zeer nuttig. Wat doe je bijvoorbeeld met een harde of zachte zwelling ter hoogte van de buigpezen. Soms is het mogelijk aan de hand van de vorm en plaats van de zwelling te kunnen uitmaken welke pees ontstoken is of ontstoken is geweest. Het is echter niet altijd zo makkelijk. Littekens van oude verwondingen geven eveneens een zwelling. Zo kunnen de onderhuidse weefsels rondom pezen verdikt zijn tengevolge een oude wonde, zonder dat de pees is aangetast. Een echografie laat toe om het onderscheid objectief te maken. |
![]() |
|
|
En als de pees dan toch is aangetast is een echografie de enige manier om de kwaliteit van het herstel te kunnen inschatten. Zijn er nog plaatsen van gescheurde peesvezels zichtbaar of is alles netjes hersteld. Peesletsels blijven toch vaak zorgenkinderen voor de toekomst die de nodige aandacht vereisen. Opletten dus. Bij de aankoop van een fokmerrie is het niet onverstandig een rectaal echografisch onderzoek van beide ovaria en baarmoeder te laten uitvoeren. Voornamelijk om te bevestigen dat beide ovaria nog aanwezig zijn, aangezien bij merries in de sport soms de ovaria worden verwijderd. Tijdens het klinisch onderzoek wordt het hart nauwkeurig geausculteerd. Met een stethoscoop worden de harttonen beluisterd. Die harttonen geven de werking van de hartkleppen weer. Het hart wordt ingedeeld in 2 voorkamers en 2 kamers. De hartkleppen bevinden zich tussenbeide en eveneens aan de uitgangen van de kamers, waar het bloed in de grote slagaders wordt gepompt. Door het sluiten van de kleppen wordt verhinderd dat bloed terugstroomt. Als zo'n klep minder goed functioneert, zal er een zekere terugvloei van bloed plaatsvinden. Dit bijgeruis wordt hoorbaar door de stethoscoop. Bepaalde buigeruisen zijn fysiologisch en dus niet afwijkend (voorbeeld ejectiegeruis). |
||
|
Ze verdwijnen spontaan na enige beweging. Indien een bijgeruis echter continu hoorbaar is, is opnieuw voorzichtigheid geboden. Een echocardiografie wordt ten zeerste aangeraden. Op die manier wordt de ergheid van het klepletsel in beeld gebracht en kan eveneens de grootte van de voorkamers en de kamers worden opgemeten. Een hart die al een geruime tijd met een klepletsel sukkelt, zal compenseren en vaak vergroten. Objectief evalueren is opnieuw belangrijk. Het gebruiksdoel van het paard speelt uiteraard een rol. Een topsporter heeft hogere eisen dan een wandelpaard. Indien het letsel beperkt is en er weinig vergroting van het hart aanwezig is, kan het paard alsnog een keuring passeren. Soms zijn klepletsels dermate groot dat ronduit wordt afgeraden het paard nog te berijden, wegens het gevaar op flauwvallen of acute sterfte van het paard.
|
|
|
ATAXIE
Ataxie (= wobbler) is een neurologische afwijking die zich voornamelijk uit in een slappe, ongecoördineerde gang van het paard. Deze ontstaat door een beschadiging van het ruggemerg, vaak ter hoogte van het halsruggemerg, waardoor de zenuwgeleiding van de hersenen naar de ledematen wordt verstoord. Er zijn veel gradaties mogelijk. Van zeer subtiel tot paarden die hun evenwicht niet meer kunnen houden en vallen of zelfs verlamd zijn. Klinisch is een milde vorm van ataxie niet altijd makkelijk te herkennen. De paarden worden rond hun as gedraaid, achteruit gestapt en eventueel over een drempel geleid. In beweging aan de longe op zachte bodem worden de overgangen (stap-draf-galop-draf-stap) goed bekeken. Alle bewegingen dienen gecoördineerd te verlopen. Bij twijfel is er tegenwoordig de MMEP-test en electromyografisch onderzoek beschikbaar, dat zwart-wit aantoont of er vertraging van de zenuwgeleiding aanwezig is of niet. Belangrijk om weten, want het merendeel van de atactische paarden blijft het voor de rest van hun leven.
NMR en scintigrafie zijn 2 hoogtechnologische scanners die in de orthopedie dagelijks gebruikt worden. |
||
|
NMR of nucleaire magnetische resonantie is in staat om alle types weefsel (pees, ligament, bot, kraakbeen) op 1 beeld weer te geven. Er worden als het ware doorsneden van slechts enkele mm dik gemaakt in alle mogelijke richtingen. Voornamelijk in de screening op 'hoefkatrol' of podotrochleose is NMR superieur aan radiografie. Er wordt veel meer gedetailleerde informatie bekomen over het straalbeen en de omgevende structuren, die op een RX foto onzichtbaar zijn. |
![]() |
|
Scintigrafie wordt voornamelijk als botscan gebruikt. Biphosphonaten zijn stoffen die zich binden op actief delend bot. Aan die biphosphonaten linken wij een radioactieve stof die ingespoten wordt in het bloed van het paard. Na 2 uur wachten heeft de stof zich verdeeld over het skelet van het paard. Daar waar er verhoogde botactiviteit aanwezig is (vb. door ontsteking, barstje, botafbraak,
) zal er zich een opstapeling van biphosphonaten bevinden. Door de gekoppelde radioactieve stof, kunnen we dit detecteren via onze camera en in beeld brengen.
|
||
BLOEDONDERZOEK
Via een bloedonderzoek krijgt men een indruk van de algemene toestand van het paard en de werking van de belangrijkste inwendige organen. Meestal echter wordt bloed bewaard om eventueel onderzoek uit te voeren op aanwezigheid van ontstekingsremmers. Elk advies die wordt geformuleerd wat betreft het klinisch onderzoek vervalt indien een paard positief test op verboden middelen in het kader van een keuring. |
Voornamelijk voor de structuren van het paard zoals de wervelkolom en het bekken, die radiografisch minder makkelijk in beeld te brengen zijn, is dit nuttig. Tevens zullen bepaalde aandoeningen zoals 'spat', die een artrose is van de kleine gewrichtjes in de sprong, veel sneller scintigrafisch dan radiografisch opgemerkt worden.
|
|
CONCLUSIE
Het wordt duidelijk dat men tegenwoordig bij de keuring van een paard een heel uitgebreid gamma aan onderzoeken ter beschikking heeft. Het mag echter niet de bedoeling zijn om oneindig ver te gaan in onderzoeken om toch maar iets te vinden om een paard een ongunstig advies te geven. Alle informatie die wordt bekomen dient gekaderd te worden in het groter geheel van de keuring en het gebruiksdoel. Het juiste gewicht geven aan gevonden bevindingen is van cruciaal belang en daar speelt ervaring een rol. Het is evident dat niet elk paard dermate uitgebreid wordt gekeurd. Een goede vuistregel is een goed klinisch onderzoek, een radiografisch onderzoek en endoscopie. Daarmee kom je al een heel eind. De mogelijkheid om dieper te graven is echter beschikbaar en het is aan koper en verkoper om in overleg met de keurende dierenarts het protocol van de keuring samen te stellen. En eenmaal die laatste hindernis genomen, staat het paard uiteindelijk in zijn nieuwe stal. |
||